Op het gevaar af om voor azijnpisser of zuurpruim te worden versleten: ik snap al die drukte vandaag over #Eindhoven2018 als Culturele Hoofstad van Europa niet zo goed.
Ik heb ook de verhalen vandaag in de krant over dat onderwerp gelezen. En ik heb voor mezelf opnieuw proberen te formuleren of ik voor of tegen ben – er hangt immers een prijskaartje van 135 miljoen euro aan. Maar ik kom er niet uit.
Natuurlijk zorgt zo’n titel voor een stroom toeristen richting Eindhoven (en Helmond), en voor een impuls van het culturele leven in deze regio. Maar daar staat de ondoorgrondelijke woordenbrij tegenover – over verbindingen leggen in een netwerkmaatschappij, over multidisciplinaire en innovatieve projecten en al wat dies meer zij – waarmee de organisatie de jury en ons, Brabanders, er van probeert te overtuigen dat #Eindhoven2018 meer recht heeft op de titel dan Maastricht en Leeuwarden.
Natuurlijk onderschrijf ook ik, cultuurliefhebber in hart en ziel, van harte het grote belang dat aan cultuur – in al zijn vormen en verschijningen – wordt gehecht. Maar die woordenbrij werkt bij mij eerlijk gezegd vooral averechts.
